Reglementering van de eerste interventiemiddelen
Zowel de draagbare blustoestellen als de niet draagbare dienen in België een goedkeurcertificaat te hebben.
Deze certificaten worden toegekend na een aantal strenge testen en onderzoeken uitgevoerd door APRAGAZ en ANPI. Na het positief resultaat mag de fabrikant het toegekend goedkeuringsnummer aanbrengen op het etiket.
Op de blustoestellen worden eveneens het BENOR en ANPI label aangebracht welke een garantie vormen voor de conformiteit van het desbetreffende toestel.
Een aantal van de technische specificaties waaraan de toestellen moeten voldoen zijn terug te vinden in: “ TECHNISCHE NOTA 105-ANPI”en “NBN EN 3-1 tot en met 3-
Ondertussen is er in het ARAB onder punt 52.9.4 de volgende tekst verschenen die eerder toegelaten blustoestellen verbiedt.
“ Binnen de lokalen is het gebruik verboden van blustoestellen met broommethyl, tetrachloorstof, of alle andere producten, waardoor er bijzondere giftige uitwasemingen kunnen ontstaan”
- De werkgever moet een uitrusting aanbrengen die voldoende is en aangepast is aan de omstandigheden om brand te bestrijden.
- Voor de vaststelling van die uitrusting raadpleegt hij zelfs de bevoegde brandweer indien hij: a) ten minste 50 werknemers tewerkstelt in een zelfde gebouw of in verscheidene naburig gebouwen die een geheel vormen / b) of als het gebouw of het gedeelte van het gebouw dat hij bezet, een lokaal van de eerste groep bevat.
In het technisch dossier Nr 8 deel 4 staat onder art. 17.4.5 als toelichting dat het aanbevolen is voor een meer specifieke verdeling ter zake het “Reglement voor de niet automatische brandblustoestellen” te raadplegen.
- Art.2.4 Het vereiste aantal bluseenheden is één bluseenheid (U) per 150m² te beschermen oppervlakte met een minimum van twee bluseenheden (U) per constructieniveau.
- Art.2.4.3 Per niveau mag er willekeurig gekozen worden voor draagbare blustoestellen of voor mobiele blustoestellen of voor een combinatie. Nochtans moet minstens de helft van de voor de beveiliging vereiste bluseenheden door draagbare snelblussers worden geleverd.
Reserve: Met het oog op de onmiddellijke vervanging van een gebruikt of defect blustoestel is het wenselijk om in een steeds toegankelijk lokaal, liefst het brandweerlokaal, te beschikken over een voorraad van de meest gebruikte draagbare blustoestellen. Het aantal reserve toestellen staat in verhouding met het aantal geïnstalleerde brandblussers.
INFO:
Toegekende bluseenheden (U) aan de Ansul blustoestellen:
·
·
·
·
· 6 Lt AFFF schuimblusser 1 u
· 9 Lt AFFF schuimblusser 1½ u
· 6 Lt water blusser 1 u
· 9 Lt water blusser 1½ u
·
KB Basisnormen, van toepassing op gebouwen waarvan de bouwaanvraag dateert vanaf 30/12/97
· LG 6.8.5.2 Draagbare of mobiele snelblussers
Deze toestellen worden bepaald door de aard en de omvang van het gevaar.
· LG 6.8.5.3 Muurhaspels met axiale voeding, muurhydranten
· LG 6.8.5.3.1 Het aantal en de plaats van deze toestellen wordt bepaald door de aard en de omvang van het brandgevaar. Het aantal muurhaspels met axiale voeding voldoet aan de volgende voorwaarden:
Ieder compartiment groter dan
Ieder punt van het compartiment moet kunnen bereikt worden door de waterstraal van de straalpijp.
· Idem voor de middelhoge en hoge gebouwen.
Verder zijn er nog specifieke voorschriften voor: Ziekenhuizen, rustoorden, logiesverstrekkende bedrijven, opvangvoorzieningen voor bejaarden, hotels en schoolgebouwen.
Deze voorschriften kunnen geraadpleegd worden in de NVBB dossiers 120 tot en met 128.
- Het brandbestrijdingsmateriaal moet in goede staat van onderhoud verkeren.
- Het materiaal voor brandbestrijding, detectie en alarm moeten geregeld door de werkgever, zijn aangestelde of afgevaardigde onderzocht worden.
In het technisch dossier Nr 8 deel 4 staat onder punt 21.2 als toelichting dat het aanbevolen is voor een meer specifieke voorschrift ter zake het “Reglement voor de niet automatische brandblustoestellen” te raadplegen.
NBN S21-050 Schouwing en onderhoud van draagbare brandblussers
Deze norm legt de vereisten vast waaraan professionele ondernemingen, zijn monteurs en de nazichtprocedures moeten voldoen. Elk nazicht dat door een niet S21-050 bevoegd bedrijf of monteur is uitgevoerd voldoet niet aan deze regels van goed vakmanschap!
“ Alle brandblustoestellen en hun lading ten minste eens per jaar laten keuren, door een gespecialiseerde firma die minstens één geldende erkenning BENOR-ANPI bezit”
· Eens per jaar onderworpen worden aan een onderzoek door een bevoegd persoon. Dit onderzoek omvat een uitwendige controle, het nazicht van het gewicht en de goede werking van de kranen.
· Om de 10 jaar worden beproefd door een erkend keuringsorganisme of indien het toestel zou zijn hervult binnen een periode van 5 jaar na de laatst herbeproeving.
Deze gids beschrijft gedetailleerd controle- en herlaad procedures van draagbare blustoestellen. Wij volgen deze procedures op en voegen daar waar nodig, onze eigen controletechnieken toe.
- Wij merken op dat toestellen met het additief AFFF een beperkte houdbaarheid hebben en dat wij aanbevelen, om de 7 jaar het product te laten vervangen.
Deze voorschriften kunnen geraadpleegd worden in de ANPI dossiers 120 tot en met 128 en TNT 117 is eveneens verkrijgbaar bij de ANPI.
Algemene voorschriften
Wanneer iemand door zijn daad schade heeft veroorzaakt, kan hij krachtens de burgerlijke aansprakelijkheid verplicht zijn de schade die hij heeft aangebracht, te herstellen ( artikel 1382 ). Men is ook aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door nalatigheid of onvoorzichtigheid ( artikel 1383 ). Deze aansprakelijkheid kan, indien bewezen, leiden tot een veroordeling tot schadeloosstelling van de benadeelde partij. In tegenstelling tot de strafrechtelijke heeft de burgerlijke veroordeling geen onterend karakter. Alleen het herstel van de veroorzaakte en bewezen schade wordt beoogd.
Het strafrecht bepaalt de strafbare feiten of misdrijven en de daarop gestelde straffen, alsmede de omschrijving van de elementen van het misdrijf.
De artikelen 418, 419 en 420 van het strafwetboek zijn van toepassing op iedere burger die onopzettelijk de dood of een lichamelijk letsel veroorzaakt door gebrek aan voorzichtigheid of aan voorzorg. Dergelijke onvoorzichtigheid of gebrek aan voorzorg bestaat onder meer bij inbreuken op het A.R.A.B., zeker indien de inbreuk op de A.R.A.B.-verplichting de oorzaak is van een lichamelijk letsel.
De strafrechtelijke aansprakelijkheid is persoonlijk en kan niet door een verzekering worden gedekt. De straf is ofwel een vrijheidsberoving ofwel een geldboete ofwel beiden. Dergelijke veroordeling heeft een onterend karakter:
Artikel 20 tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten legt de werkgever de volgende verplichting op :
« De werkgever waakt er als een goede familievader over dat het werk kan uitgevoerd worden in aanvaardbare omstandigheden wat betreft veiligheid en gezondheid... »
Dit artikel herneemt in feite de bepaling van artikel 11 van de wet van 10 maart 1900 op de arbeidsovereenkomsten voor werklieden. Door de wet van 3 juli 1978 geldt deze werkgeversverplichting nu ook ten aanzien van de bedienden.
Reglementering over het informeren en opleiden van personeel
Informatie en opleiding in het gebruik van eerste interventiemiddelen
- Onderrichtingen, in voldoende aantal aangeplakt op zichtbare plaatsen die gemakkelijk te bereiken zijn, lichten het personeel in over de gedragslijn die moet gevolgd worden in geval van brand, onder meer wat betreft :
1° Waarschuwing van de directie en van de aangestelden voor de brandbestrijding;
2° Waarschuwing van de bevoegde brandweer;
3° De schikkingen die moeten getroffen worden om het alarm te geven;
4° De schikkingen die moeten getroffen worden om de veiligheid of de ontruiming
van personen te waarborgen;
5° het aanwenden van de middelen voor brandbestrijding die beschikbaar zijn in de
inrichting.
6° De te nemen schikkingen om het optreden van de bevoegde brandweer te
vergemakkelijken.
....de werkgever neemt de nodige maatregelen door omstandigheden aangewezen om :
a) brand te voorkomen
b) ieder begin van brand snel en doeltreffend te bestrijden
- De werkgever is verplicht een private dienst voor het voorkomen en bestrijden van brand op te richten, die een voldoende aantal personen omvat, geoefend in het gebruik van het brandbestrijdingsmaterieel:
A) Als hij ten minste 50 werknemers tewerkstelt in een zelfde gebouw of in
verscheidene naburige gebouwen die een geheel vormen;
B) Of als het gebouw of het gedeelte van het gebouw dat hij bezet een lokaal van de
eerste groep omvat.
KB van 27 Maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. (gewijzigd bij KB BS 10.7.1999) Afdeling 3
Verplichtingen van de werkgever inzake informatie en vorming van de werknemers.
Art.17 – “ Hij geeft hen eveneens de nodige informatie betreffende de noodprocedures en inzonderheid met betrekking tot de maatregelen die moeten getroffen worden in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar, en met betrekking tot de eerste hulp, de brandbestrijding en de evacuatie van de werknemers”
Deels kan men de voorschriften raadplegen in de ANPI dossiers 128
Reglementering met betrekking tot evacuatie en het opmaken van noodplannen
- Onderrichtingen, in voldoende aantal aangeplakt op zichtbare plaatsen die gemakkelijk te bereiken zijn, lichten het personeel in over de gedragslijn die moet gevolgd worden in geval van brand, onder meer wat betreft :
1° Waarschuwing van de directie en van de aangestelden voor de brandbestrijding;
2° Waarschuwing van de bevoegde brandweer;
3° De schikkingen die moeten getroffen worden om het alarm te geven;
4° De schikkingen die moeten getroffen worden om de veiligheid of de ontruiming
van personen te waarborgen;
5° het aanwenden van de middelen voor brandbestrijding die beschikbaar zijn in de
inrichting.
6° De te nemen schikkingen om het optreden van de bevoegde brandweer te vergemakkelijken.
- Een plan van de kelderverdiepingen wordt uitgehangen in de onmiddellijke nabijheid van de trappen die ernaar toe leiden. Dit plan, op schaal getekend, duidt de verdeling en de bestemming aan van de lokalen evenals de plaats waar de lokalen van de eerste en de tweede groep zich bevinden. Dit plan dient bijgehouden te worden.
KB van 27 Maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. (gewijzigd bij KB BS 10.7.1999)
Afdeling 3
Verplichtingen van de werkgever inzake informatie en vorming van de werknemers.
Art.17 – “ Hij geeft hen eveneens de nodige informatie betreffende de noodprocedures en inzonderheid met betrekking tot de maatregelen die moeten getroffen worden in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar, en met betrekking tot de eerste hulp, de brandbestrijding en de evacuatie van de werknemers”
KB van 27 Maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. (gewijzigd bij KB BS 10.7.1999)
Afdeling 4
Maatregelen bij noodsituaties en in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar.
Art.22 – De werkgever stelt een intern noodplan op dat van toepassing is voor de bescherming van de werknemers wanneer dit nodig naar aanleiding van de vaststellingen gedaan ingevolge de risicoanalyse.
Deze procedures hebben betrekking op:
1 De informatie en de instructies betreffende de maatregelen in geval van nood;
2 Het alarm- en communicatiesysteem;
3 De veiligheidsoefeningen;
4 De handelingen te stellen bij evacuatie en eerste hulp;
5 De middelen voor de eerste verzorging.
Verder zijn er een aantal specifieke voorschriften die het voorzien van plannen verplichten:
- Schouwspelzalen / ARAB Titel3 – Sectie 9- § 3 – artikel 655
- Rustoorden voor bejaarden / KB (BS 23 Mei 1974) – (BS 11 September 1984) – (BS 6 Juni 1989) – ( BS 10 Oktober 1995)
Ouderenvoorziening en herstelbedrijven 1.9.2010
- Ziekenhuizen / KB (BS 11 Januari 1980) + (BS 6 December 1991)
- Logiesverstrekkende bedrijven / Vlaamse gemeenschap ( BS 27 Mei 1988)
- Logiesverstrekkende bedrijven / Franse gemeenschap ( BS 21 Juni 1991)
- Schietstanden / KB ( BS 31 Oktober 1991 en 21 November 1991)
- Openluchtrecreatiebedrijven / Vlaamse gemeenschap ( BS 22 Juni 1995)
- Schoolgebouwen / ( NBN S21-204)
Deels kan men de voorschriften raadplegen in de ANPI dossiers 128 + 113
Signalisatie
KB 17.06.97 ( BS 19.9.1997) + Art. 52 ARAB
Het aanbrengen van de benodigde noodsignalisatie is zo uitgebreid en van toepassing op alle ondernemingen die onder de ARAB vallen dat wij dienen door te verwijzen voor meer details naar het dossier 119 van de ANPI.
Nuttige links met betrekking tot de reglementeringen.
http://www.werk.belgie.be/defaultTab.aspx?id=247 .
http://www.werk.belgie.be/defaultTab.aspx?id=556